"Moest jij echt op reis gaan opdat dit zou gebeuren?"
Ik krijg de vraag veel.
Ik?
Ja.
Ik voelde wel dat er iets speelde, ergens diep vanbinnen. Maar dan ook weer niet écht. Er was onrust, maar dan dacht ik: "Dit is gewoon wie ik ben. Bezig blijven, dingen gedaan krijgen." Ik was er zelfs fier op dat het vooruit ging.
Ik deed mijn werk graag. Er waren veel leuke momenten, toffe collega's, boeiende klanten. Ik kreeg respect en waardering voor wat ik deed. Vakanties waren er om even op te laden, sport en uitstapjes om te ontspannen. En dat huishouden? Dat moest nu eenmaal gebeuren, het is bij iedereen zo. Af en toe wat hoofdpijn of rugklachten, maar dat ging ook telkens weer over. Alles liep naar verwachting. Waarom zou ik iets veranderen?
Totdat ik er maanden tussenuit stapte. Een droom die me riep. Lange reizen met mijn gezin. Verschillende keren. Ik wist helemaal niet dat dit ging gebeuren, dit was helemaal het plan niet.
Ik stapte uit de vaste structuren en gewoontes. Het ritme van thuis, waar iedereen rondom mij in zat. Het normaal. Ik had die radicale verandering nodig om die dagelijkse routine stil te leggen.
Op reis viel de afleiding weg. Er was geen to-do lijst meer om me mee bezig te houden. En toen groeide de onrust. Sterktes, efficiëntie en plannen, werden mijn valkuil. Want op reis 'moet' het even allemaal niet. Ik mocht leren 'zijn'. En dat was confronterend, want ik ontdekte dat ik dat helemaal niet kon. Iets wat in eerdere vakanties was helemaal niet zichtbaar was geworden.
Het vroeg echt maandenlang anders leven om dit te voelen. Thuis vluchtte ik in bezig zijn Op reis kon ik nergens meer naartoe. Ik stond met beide voeten in de wereld. De realiteit en de grote vragen stonden recht voor mijn neus: Waarom doe ik wat ik doe? Is dit wat ik echt wil? En kan het eigenlijk ook anders?
Het reizen, met mijn man en kinderen, was mijn spiegel. Waar ik recht in moest kijken. Omdat alle roze, grijze, zwarte wolken die ik rond mij liet hangen, langzaamaan wegtrokken.